ECLI:NL:RBDHA:2019:1807

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 februari 2019
Publicatiedatum
28 februari 2019
Zaaknummer
NL18.16365
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens prematuur ingesteld tegen verlenging beslistermijn asielaanvraag

Eiser, een Turkse asielzoeker, diende op 25 november 2017 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Na een eerste gehoor ontstond het vermoeden dat Roemenië verantwoordelijk was voor de behandeling, maar na weigering van Roemenië werd eiser opgenomen in de nationale asielprocedure op 3 januari 2018. De beslistermijn werd op 20 februari 2018 rechtsgeldig verlengd met negen maanden vanwege complexe feitelijke en juridische kwesties, met name de ontwikkelingen omtrent de rechtsstaat in Turkije.

Eiser stelde verweerder op 16 juli 2018 in gebreke wegens het niet tijdig beslissen, maar verweerder verklaarde deze ingebrekestelling ongeldig omdat de beslistermijn nog niet was verstreken. Op 7 september 2018 stelde eiser beroep in tegen het niet tijdig beslissen, stellende dat de verlenging onvoldoende individueel was gemotiveerd.

De rechtbank oordeelde dat de verlenging van de beslistermijn rechtsgeldig was gemotiveerd en dat eiser niet om nadere informatie had verzocht. De eerdere uitspraken waarop eiser zich beroept waren nog niet onherroepelijk en niet vergelijkbaar omdat de betrokken vreemdelingen daar wel om een nadere toelichting hadden gevraagd. Daarom werd het beroep als prematuur en niet-ontvankelijk verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk verklaard omdat de beslistermijn rechtsgeldig is verlengd en nog niet was verstreken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.16365

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E. Arslan),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

ProcesverloopEiser heeft op 7 september 2018 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Beide partijen hebben toestemming verleend om de zaak zonder zitting af te doen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1986. Op 25 november 2017 heeft eiser een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Aan de hand van eisers eerste gehoor is bij verweerder het vermoeden ontstaan dat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Daarop is Roemenië verzocht eiser terug te nemen, maar Roemenië heeft dit verzoek niet geaccepteerd. Eiser is vervolgens op 3 januari 2018 opgenomen in de nationale asielprocedure. Tevens is aan eiser op deze datum bericht dat zijn asielaanvraag verder zal worden behandeld in de verlengde asielprocedure. Op 20 februari 2018 is aan eiser bericht dat de beslistermijn op grond van artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 met negen maanden wordt verlengd, waardoor eiser de beslissing uiterlijk op 2 april 2019 kan verwachten. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd:
“Wegens de voortgaande ontwikkelingen omtrent de rechtsstaat in Turkije, welke gevolgen kan hebben voor de beoordeling van asielaanvragen van bepaalde Turkse vreemdelingen, en in samenhang bezien met de verklaringen van uw cliënt, maakt dat er complex feitelijke en juridische kwesties aan de orde zijn.”
3. Op 16 juli 2018 heeft eiser verweerder in gebreke gesteld omdat niet tijdig zou zijn beslist. Bij brief van 18 juli 2018 heeft verweerder de ingebrekestelling ongeldig verklaard, nu de beslistermijn nog niet is verstreken.
4. Op 7 september 2018 heeft eiser beroep tegen het niet tijdig beslissen bij de rechtbank ingesteld. Hij meent dat verweerder de verlenging van de beslistermijn had moeten toespitsen op de individuele situatie van eiser, nu verweerder de beslistermijn op grond van artikel 42, lid 4, aanhef en onder a van de Vw 2000 heeft verlengd. Er kon niet worden volstaan met een verwijzing naar het gebrek aan inzichtelijkheid in de algemene situatie in Turkije. Ter onderbouwing verwijst eiser naar twee uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, beiden van 22 februari 2018.
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de beslistermijn ten tijde van het indienen van de ingebrekestelling nog niet was overschreden. Verweerder meent met de door hem gegeven toelichting voldoende inzicht te hebben verschaft in zijn beweegredenen om de beslistermijn te verlengen. Een nadere, meer individuele toelichting is niet vereist en wordt door de Procedurerichtlijn ook niet voorgeschreven.
6. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn nog niet is verstreken. Het geschil spitst zich daarom toe op de vraag of verweerder de beslistermijn in het geval van eiser rechtsgeldig heeft verlengd.
6.1
Ingevolge artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000 wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd een beschikking gegeven. Op grond van artikel 42, vierde lid, onder a, van de Vw 2000 kan de termijn bedoeld in het eerste lid met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien complexe feitelijke of juridische kwesties aan de orde zijn. Ingevolge artikel 42, zevende lid, stelt verweerder de vreemdeling in kennis van de verlenging van de termijn en geeft, indien de vreemdeling daarom verzoekt, informatie over de reden van de verlenging en een indicatie van het tijdsbestek waarbinnen de beschikking, bedoeld in het eerste lid, te verwachten valt.
6.2
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de beslistermijn rechtsgeldig is verlengd. Verweerder heeft dit voldoende gemotiveerd bij brief van 20 februari 2018 door te stellen dat voortgaande ontwikkelingen omtrent de rechtstaat in Turkije in combinatie met eisers verklaringen maakt dat er complexe feitelijke en juridische kwesties aan de orde zijn. Eiser heeft niet op deze brief gereageerd, noch verzocht om nadere informatie over de reden van verlenging. Ook de ingebrekestelling van 16 juli 2018 is niet met redenen omkleed noch is op dat moment om nadere informatie over de reden van verlenging verzocht. Eisers beroep op de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem kan voorts niet slagen. Ten eerste stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat deze uitspraken nog niet onherroepelijk zijn nu verweerder hoger beroep heeft ingesteld. Voorts hebben de vreemdelingen in deze zaken uitdrukkelijk verzocht om een nadere toelichting op de verlenging van de beslistermijn toen zij verweerder in gebreke stelden, omdat zij geen genoegen namen met de gedane mededeling. Dat is in onderhavige zaak niet aan de orde.
7. Gelet op het voorgaande is de beslistermijn rechtsgeldig verlengd. Het beroep is daarom prematuur ingesteld en daarmee niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. Kroon - Overdijk, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.