ECLI:NL:RBDHA:2019:1810
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure Eritrese verzoekster
Verzoekster, van Eritrese nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure. Deze aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 9 januari 2019 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoekster stelde hiertegen beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening op 5 februari 2019, gelijktijdig met de hoofdzaak (zaaknummer NL18.1064). Tijdens deze zitting was verzoekster vertegenwoordigd door een gemachtigde en ondersteund door een tolk. De Staatssecretaris werd eveneens vertegenwoordigd.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een voorlopige voorziening alleen kan worden toegekend als de rechtbank nog niet op het beroep heeft beslist. Aangezien de rechtbank op dezelfde dag uitspraak deed in de hoofdzaak, was het verzoek om voorlopige voorziening niet meer ontvankelijk en werd het afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de hoofdzaak reeds is beslist.