ECLI:NL:RBDHA:2019:1903
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. van Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser diende op 30 oktober 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Uit het Eurodac-systeem bleek dat eiser op 31 augustus 2018 al een verzoek om internationale bescherming had ingediend in Duitsland. De Nederlandse staatssecretaris van Justitie en Veiligheid besloot de aanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
De Duitse autoriteiten stemden via het claimakkoord in met de terugname van eiser. De rechtbank overwoog dat de Nederlandse overheid op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag aannemen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt. Alleen indien eiser aannemelijk maakt dat hij bij terugkeer een risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro, moet hiervan worden afgeweken.
Eiser stelde dat hij en zijn gezin in Duitsland agressief waren bejegend en dat klachten hierover niet werden behandeld. De rechtbank vond deze stellingen onvoldoende onderbouwd en concludeerde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico loopt bij overdracht aan Duitsland. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij het verzoek om proceskosten toe te kennen af.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.