ECLI:NL:RBDHA:2019:1992
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag voor taxichauffeur wegens recente justitiële antecedenten
Eiser heeft op 23 november 2017 een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) ten behoeve van het verkrijgen van een chauffeurskaart om als taxichauffeur te kunnen werken. De Minister voor Rechtsbescherming heeft deze aanvraag op 14 februari 2018 afgewezen vanwege relevante justitiële gegevens binnen de vijfjarige terugkijktermijn, waaronder een onherroepelijke veroordeling voor mishandeling onder strafverzwarende omstandigheden en een veroordeling voor rijden onder invloed.
Eiser voerde aan dat bijzondere omstandigheden, zoals zijn langdurige ziekte door een herseninfarct, niet voldoende zijn meegewogen en dat eerdere verstrekte VOG's voor vergelijkbare werkzaamheden hem gerechtvaardigd vertrouwen gaven op toekenning. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat de objectieve en subjectieve criteria voor afwijzing zijn vervuld. De aard en ernst van de antecedenten, het risico voor de samenleving en het belang van eiser zijn zorgvuldig afgewogen.
De rechtbank stelde vast dat verkeers- en geweldsdelicten niet verenigbaar zijn met het beroep van taxichauffeur en dat de kans op herhaling gezien de antecedenten en het tijdsverloop nog te groot is. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard en de afwijzing van de VOG gehandhaafd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag is ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd.