ECLI:NL:RBDHA:2019:1998

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 februari 2019
Publicatiedatum
5 maart 2019
Zaaknummer
NL19.2380
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000VluchtelingenverdragArtikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinprocedure Zwitserland

Eiser, een Eritrese nationaliteit, diende op 15 oktober 2018 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling omdat uit Eurodac bleek dat eiser eerder asielverzoeken in Zwitserland had ingediend. Zwitserland had ingestemd met terugname van eiser.

Eiser betoogde dat het Zwitserse beschermingsbeleid jegens illegaal uitgereisde Eritreeërs onvoldoende is en dat hij risico loopt op indirect refoulement bij overdracht. Hij verwees naar rapporten en jurisprudentie ter onderbouwing.

De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel met Zwitserland blijft gelden, dat Zwitserland de asielaanvraag zal behandelen en dat eiser bij het EHRM terecht kan indien hij het niet eens is met de Zwitserse procedure. Er is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Zwitserland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Kleijn op 28 februari 2019.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.2380

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M. Dalloesingh),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Remerie).

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.2381, plaatsgevonden op 26 februari 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Abdelmalek. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1991 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Op 15 oktober 2018 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen en het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Uit het Europese registratiesysteem Eurodac is gebleken dat eiser in 2015, 2017 en 2018 verzoeken om internationale bescherming in Zwitserland heeft ingediend. Verweerder heeft daarom de Zwitserse autoriteiten verzocht eiser terug te nemen. Zwitserland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Eiser kan zich met deze beslissing niet verenigen en meent dat verweerder ten aanzien van Zwitserland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. In tegenstelling tot de Nederlandse autoriteiten zijn de Zwitserse autoriteiten namelijk van oordeel dat illegaal uitgereisde Eritreeërs bij terugkeer naar hun land van herkomst niet het risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Nu eiser stelt Eritrea illegaal te hebben verlaten vreest hij voor indirect refoulement bij een overdracht aan Zwitserland. Herhaalde aanvragen worden bovendien zonder formele beschikking afgedaan en er staat geen beroep tegen open. Zwitserland zal eisers asielaanvraag na overdracht daarom niet opnieuw inhoudelijk beoordelen en bovendien is deze kansloos, gelet op het door Zwitserland gevoerde beleid. Ter onderbouwing verwijst eiser naar een nieuwsartikel op de website swissinfo van 4 april 2018, het rapport van de Asylum Information Database, ‘Country Report: Switzerland’, update 2017 en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle van 27 juli 2018 (NL18.10072).
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1
Op lidstaten rusten de rechten en plichten voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag, het EVRM en andere verdragen en richtlijnen. Verweerder mag er daarom op vertrouwen dat in Zwitserland wordt vastgesteld of eiser bij terugkeer naar Eritrea de in het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van Pro het EVRM genoemde risico’s loopt vanwege zijn eventuele illegale uitreis. Hierbij is van belang dat de Zwitserse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen. Eiser is het echter niet eens met het Zwitserse beschermingsbeleid ten aanzien van illegaal uitgereisde Eritreeërs. Verweerder heeft in dat kader terecht overwogen dat eiser bij het EHRM een procedure aanhangig kan maken indien hij zich niet kan vinden in het Zwitserse beschermingsbeleid. De Nederlandse rechter dient niet te treden in de vraag of de Zwitserse autoriteiten tot een inhoudelijk juist oordeel zullen komen. De rechtbank overweegt voorts dat een verschil in beschermingsbeleid niet kan leiden tot het oordeel dat verweerder het asielverzoek aan zich had moeten trekken. Eiser heeft niet gesteld dat uitgeprocedeerde Eritreeërs in Zwitserland ook daadwerkelijk worden uitgezet naar Eritrea, noch heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij indien Zwitserland hem na overdracht wil uitzetten, geen klacht kan indienen bij het EHRM en zo nodig kan verzoeken om een ‘interim measure’ om te voorkomen dat hij naar Eritrea wordt uitgezet voordat op zijn klacht is beslist. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Zwitserse procedure dusdanige tekortkomingen kent dat eiser het risico loopt dat Zwitserland zijn verdragsverplichtingen inzake non-refoulement jegens hem niet zal nakomen. De stukken waar eiser in beroep naar heeft verwezen, kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Het betoog dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, slaagt niet.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon - Overdijk, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.