ECLI:NL:RBDHA:2019:2130
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen medewerkingsverplichting presentatie bij Afghaanse ambassade
Verzoekers dienden in februari 2016 asielaanvragen in die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in december 2018 werden afgewezen. Tegen deze besluiten is beroep ingesteld, waarop nog geen uitspraak is gedaan. Verzoekers maakten bezwaar tegen hun voorgenomen presentatie bij de Afghaanse ambassade in maart 2019 en verzochten om een voorlopige voorziening om deze presentatie op te schorten totdat de beroepen zijn beslist.
De voorzieningenrechter overwoog dat op grond van artikel 8:81 Awb Pro een voorlopige voorziening kan worden getroffen bij onverwijlde spoed. Verzoekers beroepen zich op het arrest Gnandi van het Hof van Justitie, waarin is bepaald dat alle rechtsgevolgen van een terugkeerbesluit geschorst moeten worden tijdens het beroep, wat volgens hen ook de presentatie bij de ambassade omvat.
De rechtbank oordeelde dat de medewerkingsverplichting aan voorbereidende vertrekhandelingen, waaronder presentatie bij de ambassade, niet zonder meer in strijd is met het arrest Gnandi. De parlementaire geschiedenis van artikel 61 Vreemdelingenwet Pro ondersteunt dat medewerking aan vertrekvoorbereiding kan worden verlangd, ook als de werking van het besluit is opgeschort.
Verder achtte de voorzieningenrechter het belang van de wetgever om spoedige terugkeer mogelijk te maken redelijk en vond geen omstandigheden die een ernstige aantasting van de rechten van verzoekers opleveren. Verzoekers hadden geen negatieve ervaringen met de Afghaanse autoriteiten en waren niet verplicht om redenen van verblijf te verstrekken. Daarom had het bezwaar geen redelijke kans van slagen en werd het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de medewerkingsverplichting aan presentatie bij de Afghaanse ambassade is afgewezen.