Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2019 in de zaak tussen
[eiser 1] , geboren op [geboortedatum] 1961, van Nederlandse nationaliteit, eiser en
,eiseres, (gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel verblijf als familie- of gezinslid. Verweerder wees deze aanvraag af omdat eiser niet duurzaam en zelfstandig over voldoende middelen van bestaan zou beschikken. De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte de middelen van eiseres buiten beschouwing liet, maar dat dit gelet op het Vreemdelingenbesluit 2000 juist was.
Het centrale geschilpunt betreft de beoordeling van de middelen van bestaan van eiser. Verweerder stelde dat de WGA-uitkering onvoldoende en niet duurzaam was en dat de inkomsten uit een oproepovereenkomst slechts tijdelijk waren. De rechtbank constateert dat verweerder geen individuele beoordeling heeft gemaakt van de situatie van eiser en onvoldoende rekening hield met zijn concrete omstandigheden.
De rechtbank verwijst naar arresten van het HvJ-EU (Chakroun en Khachab) die vereisen dat bij het stellen van inkomenseisen een individuele beoordeling plaatsvindt en dat alle relevante omstandigheden worden betrokken. Het bestreden besluit bevat geen motivering die hieraan voldoet, waardoor sprake is van een motiveringsgebrek.
De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten. Het beroep van eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen bezwaar had gemaakt tegen het primaire besluit.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens motiveringsgebrek en het ontbreken van een individuele beoordeling van de middelen van bestaan.