ECLI:NL:RBDHA:2019:2609
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herhaalde asielaanvraag Soedanese asielzoeker wegens gebrek aan aannemelijk risico schending artikel 3 EVRM
Eiser, een Soedanese nationaliteit dragende asielzoeker, diende in november 2016 een eerste asielaanvraag in die in september 2017 werd afgewezen. Het daaropvolgende beroep werd in augustus 2018 ongegrond verklaard. In januari 2019 diende eiser een herhaalde asielaanvraag in, stellende dat hij bij terugkeer naar Soedan het risico loopt op martelingen door de autoriteiten. Ter onderbouwing verwees hij naar diverse rapporten en Kamervragen.
Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g en h van de Vreemdelingenwet 2000, stellende dat het asielrelaas ongeloofwaardig is en dat eiser zijn aanvraag te laat heeft ingediend. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het rapport van een derde partij niet als reden zag om het eerdere ongeloofwaardige asielrelaas te herzien.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij persoonlijk een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Soedan. Ook is niet aannemelijk dat alle afgewezen asielzoekers uit Soedan een dergelijk risico lopen. De rechtbank zag geen aanleiding om het terugkeerbesluit in te trekken of de procedure aan te houden in afwachting van een nieuw ambtsbericht of medisch onderzoek.
Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf op 15 maart 2019.
Uitkomst: De herhaalde asielaanvraag is afgewezen omdat niet is aangetoond dat terugkeer naar Soedan een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM oplevert.