ECLI:NL:RBDHA:2019:2761
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden bij asielaanvraag
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, diende op 20 januari 2019 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Luxemburg verantwoordelijk was voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser stelde hiertegen op 4 maart 2019 beroep in, maar diende geen beroepsgronden in.
De rechtbank wees eiser op dit verzuim en gaf hem de mogelijkheid om dit binnen vijf werkdagen te herstellen. Eiser maakte geen gebruik van deze gelegenheid. De rechtbank overwoog dat geen sprake was van verschoonbare redenen voor de termijnoverschrijding en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk op grond van artikel 6:5 en Pro 6:6 Awb.
Verder oordeelde de rechtbank dat er geen bijzondere omstandigheden waren die een schending van artikel 3 EVRM Pro zouden opleveren bij overdracht aan Luxemburg. De rechtbank wees ook op de termijnen voor het instellen van verzet tegen deze uitspraak, waarbij artikel 69 Vw Pro 2000 als lex specialis geldt ten opzichte van artikel 6:7 Awb Pro.
De uitspraak werd gedaan door rechter C.T.C. Wijsman en griffier B.J. Groothedde op 20 maart 2019. Tegen deze uitspraak kan binnen één week verzet worden ingesteld.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden en het niet herstellen van dit verzuim.