ECLI:NL:RBDHA:2019:2767
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek niet-tijdelijke verblijfsvergunning op humanitaire gronden wegens onvoldoende bewijs huiselijk geweld
Eiseres, met Marokkaanse nationaliteit, had een tijdelijke verblijfsvergunning als gezinslid bij haar voormalige partner. Na beëindiging van die relatie vroeg zij een niet-tijdelijke verblijfsvergunning op humanitaire gronden aan, die werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat eiseres procesbelang heeft omdat de niet-tijdelijke vergunning een sterker verblijfsrecht zou geven dan haar huidige tijdelijke vergunning, die afhankelijk is van haar relatie met een nieuwe partner.
Eiseres stelde dat zij slachtoffer was van huiselijk geweld tijdens haar relatie, wat de reden was voor de beëindiging daarvan. Zij overlegde aangiften, medische verklaringen en verwees naar een telefoongesprek waaruit huiselijk geweld in het vorige huwelijk van haar ex-partner zou blijken. Verweerder stelde dat de aangiften onvoldoende bewijs vormen, het Openbaar Ministerie geen vervolging instelde, en de medische verklaringen geen bewijs leveren dat het geweld tijdens de relatie plaatsvond.
De rechtbank volgt verweerder en acht het bewijs onvoldoende om aan te nemen dat huiselijk geweld heeft plaatsgevonden en de relatie beëindigd is vanwege dat geweld. De telefoonnotitie is onvoldoende onderbouwd om hieraan waarde te hechten. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de niet-tijdelijke verblijfsvergunning op humanitaire gronden wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van huiselijk geweld.