ECLI:NL:RBDHA:2019:2797
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielaanvraag aan Zwitserland op grond van Dublinverordening
Eiser, een Eritrese asielzoeker, verzet zich tegen het besluit van de Immigratie- en Naturalisatiedienst om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser stelt dat Zwitserland het risico van indirect refoulement niet erkent en dat het Zwitserse beschermingsbeleid ongunstiger is dan dat van Nederland.
De rechtbank overweegt dat Nederland in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat het aan eiser is om concrete aanknopingspunten te leveren waaruit blijkt dat Zwitserland zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. De rechtbank stelt vast dat Zwitserland de asielaanvraag inhoudelijk heeft beoordeeld en dat het Bundesverwaltungsgericht de afwijzing heeft bevestigd. Het enkele feit dat Zwitserland een ander beleid hanteert, is onvoldoende om het vertrouwensbeginsel te doorbreken.
De rechtbank wijst erop dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om het beschermingsbeleid van Zwitserland inhoudelijk te toetsen en dat eiser hiervoor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan benaderen. Ook het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening, dat Nederland discretionaire bevoegdheid geeft om een aanvraag te behandelen, wordt afgewezen. Ten slotte wordt het beroep afgewezen omdat de aanwezigheid van familieleden in Nederland geen grond is om de aanvraag hier te behandelen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de overdracht van de asielaanvraag aan Zwitserland wordt ongegrond verklaard.