Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2019:2819

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2019
Publicatiedatum
22 maart 2019
Zaaknummer
C/09/565601 / FT RK / 18/2131 t/m 2134
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot dwangregeling op grond van artikel 287a Faillissementswet wegens onvoldoende onderbouwing en onduidelijkheden

Verzoekers hebben een verzoek ingediend tot dwangregeling op grond van artikel 287a van de Faillissementswet, waarbij zij een minnelijke schuldregeling aanboden aan hun schuldeisers. De rechtbank beoordeelde of ING Bank, als enige schuldeiser die niet instemde, in redelijkheid tot weigering kon komen.

Uit het dossier en de zitting bleek dat het aanbod was gebaseerd op verouderde financiële gegevens en dat er onduidelijkheden waren over de betaling aan sommige schuldeisers, waaronder een volledig voldane vordering van een schuldeiser en de belastingdienst. Daarnaast was niet aangetoond voor welk bedrag een vakantiehuis was verkocht en hoe dit bedrag was besteed. Ook was onduidelijkheid over een vordering op voormalige zakenpartners en de bijdrage van de moeder van verzoeker in de huurkosten.

De rechtbank oordeelde dat het aanbod niet goed en betrouwbaar was gedocumenteerd en dat niet aannemelijk was dat het aanbod het uiterste was wat verzoekers financieel konden bieden. Verzoeker verrichtte geen fulltime betaalde arbeid, maar had inkomsten uit een webshop die hoger waren dan in het voorstel was verwerkt. ING had daarom in redelijkheid kunnen weigeren in te stemmen met de regeling.

Het verzoek om ING te bevelen akkoord te gaan met de regeling werd afgewezen. Verzoekers trokken hun verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) in, zodat dit niet verder hoefde te worden behandeld.

Uitkomst: Het verzoek tot dwangregeling wordt afgewezen omdat het aanbod onvoldoende is onderbouwd en niet het uiterste is wat verzoekers kunnen betalen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team insolventies – enkelvoudige kamer
rekestnummer: C/09/565601 / FT RK 18/2131 t/m 2134
tussenvonnis van 12 maart 2019
in de zaak van
[verzoeker 1],
en
[verzoeker 2]
beiden wonende te [adres]
[postcode en woonplaats],
verzoekers,
tegen
ING Bank N.V.
gevestigd te Amsterdam,
vertegenwoordigd door Vesting Finance,
gevestigd te Amersfoort,
verweerster.

1.De procedure

1.1
Op 27 december 2018 is door verzoekers tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het bevelen in te stemmen met een door hen aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw).
1.2
Ter terechtzitting van 12 februari 2019 zijn verzoekers, vergezeld van [M], hierover gehoord.

2.De feiten

Aan de hand van de inhoud van hetgeen ter zitting is behandeld en van de in het geding gebrachte stukken gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.
2.1
bij brieven van 4 mei 2018 hebben verzoekers aan hun schuldeisers het aanbod gedaan om 18,21 % van hun vorderingen te voldoen tegen finale kwijting op basis van een prognosevoorstel.
2.2
Uit de bijlagen bij het verzoekschrift was ten tijde van het aanbod sprake van een totale schuld van € 276.812,72 aan 23 schuldeisers, waaronder de belastingdienst.
2.3
De vordering van ING op verzoekers bedraagt € 70.691,37. Dit was ten tijde van het aanbod 25,5 % van de totale schuldenlast.
2.4
In een email-bericht van 6 februari 2019, gericht aan de rechtbank, heeft [A], werkzaam als senior consulent schuldregelen van de gemeente [X], kenbaar gemaakt dat de vordering van één van de 23 schuldeisers, te weten [Z], geheel is voldaan.
2.5
Bij brief van 11 januari 2019 heeft de belastingdienst vermeld dat er geen openstaande schulden meer zijn ten name van [verzoeker 1].
2.6
Schuldeiser [S] verpakkingen is bij brief 10 januari 2019 alsnog akkoord gegaan met het door verzoekers gedane aanbod.
Verzoek en verweer
3.1
Verzoekers stellen dat verweerster in redelijkheid niet heeft kunnen weigeren om in te stemmen met het aanbod, nu de overige schuldeisers wel hebben ingestemd. De aangeboden minnelijke regeling levert meer op voor de schuldeisers dan de wettelijke schuldsaneringsregeling. Het aanbod is het maximaal haalbare nu verzoekster inmiddels een full time dienstverband heeft en het uitzicht bestaat dat haar contract in juli 2019 zal worden verlengd. Daarnaast heeft verzoeker door middel van zijn werkzaamheden voor zijn webshop voldoende inkomsten om de regeling uit te voeren. Een betaalde dienstbetrekking zal hij waarschijnlijk niet kunnen vinden gelet op zijn gevorderde leeftijd en de vele sollicitaties die hij al zonder resultaat heeft gedaan. De gemeente [X] zal voldoende toezicht houden op de inkomsten van verzoeker uit zijn webshop door de financiële gegevens van verzoeker maandelijks te controleren.
3.2
Vesting Finance heeft namens ING schriftelijk verweer gevoerd. In de kern komt dat verweer er op neer dat het aangeboden bedrag in geen enkele verhouding staat tot de vordering van ING. Ook voert ING aan dat het aanbod niet het uiterste is waartoe verzoekers financieel in staat zijn, nu verzoeker geen fulltime betaalde arbeid verricht. Ook is het toezicht op het verrichten van die maximale inspanning in het minnelijk traject niet voldoende gewaarborgd, aldus ING.
De beoordeling
4.1
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verweerster in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen.
Zij wijst het verzoek toe indien sprake is van een onevenredigheid tussen het belang dat schuldeisers hebben bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en het belang van verzoekers dat door de weigering wordt geschaad.
4.2
Bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a Fw. zullen onder meer de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen (zie ook de conclusie van A-G Timmerman voor HR 14 december 2012, LJN BY0966, nr. 2.6. e.v.):
-
is het schikkingsvoorstel door een onafhankelijke en deskundige partij getoetst(bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);
-
is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;
-
is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;
-
biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor dcschuldenaar;
-
biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor deschuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser dan evenveel ofmeer zal ontvangen;
-
is aannemelijk dat gedwongen medewerking aan een schuldregeling voor deschuldeiser concurrentieverstorend werkt;
-
bestaat er precedentwerking voor vergelijkbare gevallen;
-
wat is de zwaarte van het financiële belang dat de schuldeiser heeft bij volledigenakoming;
-
hoe groot is het aandeel van de weigerende schuldeiser in de totale schuldenlast;
-
staat de weigerende schuldeiser alleen naast de overige met de schuldregelinginstemmende schuldeisers;
-
is er eerder een minnelijke of een gedwongen schuldregeling geweest die nietnaar behoren is nagekomen.
4.3
Gelet op de onder 2.4 tot en met 2.6 vermelde feiten is thans sprake van een lagere schuldenlast en een minder groot aantal schuldeisers dan waarvan ten tijde van het dwangverzoek en het aanbod sprake was. Het aanbod van 10 mei 2018 is gebaseerd op financiële gegevens die op dit moment niet meer gelden. Reeds om deze reden is het verzoek niet goed gedocumenteerd. Bovendien is niet duidelijk gemaakt waarom schuldeiser [Z] volledig is betaald ten nadele van de overige schuldeisers. Dit lijkt ook te gelden voor de belastingdienst die op de schuldenlijst nog vermeld staat met een tweetal vorderingen. Daarmee is het beginsel van gelijkheid van schuldeisers geschonden. Reeds op grond van het bovenstaande komt het verzoek tot het geven van een bevel aan ING die als enige weigerende schuldeiser resteert, om akkoord te gaan met de door verzoekers aangeboden regeling niet voor toewijzing in aanmerking.
4.4
Verder overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is dat het aanbod het uiterste is waartoe verzoekers in staat zijn. Verzoeker heeft geen betaalde full time dienstbetrekking, maar is vennoot in een vennootschap onder firma die een webshop exploiteert. In deze onderneming genereert verzoeker naar eigen zeggen een maandelijkse omzet van € 2.000,- á € 2.500,- . In het vrij te laten bedrag dat ten grondslag ligt aan de aangeboden minnelijke regeling is echter met een veel lager maandelijks bedrag (te weten: € 379,53) gerekend. Ook speelt een rol dat uit mededeling van een schuldeiser is gebleken dat verzoekers eigenaar waren van een vakantiehuis in Italië. Verzoekers hebben meegedeeld dat dit huis recentelijk is verkocht, echter niet is met schriftelijke bescheiden aangetoond voor welk bedrag en waar dit bedrag aan is besteed. Daarnaast heeft verzoeker volgens zijn eigen schriftelijke verklaring een vordering van $ 200.000,- ( welke vordering hij ter zitting heeft gecorrigeerd in $ 70.000) op zijn voormalige zakenpartners in de Verenigde Staten. Volgens verzoeker is deze vordering oninbaar, maar hoe hoog deze vordering werkelijk is en dát deze vordering oninbaar is, is niet met schriftelijke stukken aangetoond. Ten slotte draagt de moeder van verzoeker bij in de huurkosten die verzoekers hebben, hetgeen evenmin in het VTLB is verantwoord. Al deze gegevens zijn niet gemeld bij het ingediende dwangverzoek, maar pas later uit overgelegde stukken of uit het verhandelde ter zitting gebleken. Dit impliceert dus bovendien dat de regeling zoals deze aan de schuldeisers is aangeboden niet voldoende is toegelicht en dus niet goed en betrouwbaar is gedocumenteerd
4.5
Op grond van alle bovengenoemde overwegingen heeft ING in alle redelijkheid kunnen weigeren om in te stemmen met de aangeboden regeling. Het verzoek om ING te bevelen in te stemmen met de regeling wordt daarom afgewezen.
4.6
Nu verzoekers ter zitting kenbaar hebben gemaakt dat zij - bij afwijzing van het onderhavige verzoek - niet in aanmerking wensen te komen voor toepassing van de WSNP, behoeft dit verzoek geen behandeling meer. De rechtbank stelt vast dat dit verzoek is ingetrokken.
BESLISSING
De rechtbank:
- wijst af het verzoek de ING te bevelen akkoord te gaan met de onder 2.1 aangeboden regeling.
Gewezen door mr. W.J. Don, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 maart 2019 in tegenwoordigheid van mr. J.J.P. van Wieringen, griffier.
Verzoekers kunnen tegen deze uitspraak gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen door het indienen van een verzoekschrift bij het gerechtshof te Den Haag. Het verzoekschrift dient te worden ondertekend door een advocaat.