ECLI:NL:RBDHA:2019:2891
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toepassing schuldsaneringsregeling ondanks onjuiste belastingschuld in buitengerechtelijke regeling
Verzoekers hebben een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, waarbij de rechtbank Den Haag bevoegd werd geacht de hoofdprocedure te openen omdat het centrum van voornaamste belangen van verzoekers in Nederland ligt.
In het minnelijk traject was uitgegaan van een te lage belastingschuld (€ 28.280,51 in plaats van € 52.681,-), waardoor de schuldenlast werd onderschat en het betalingsvoorstel onhaalbaar was. De rechtbank constateerde dat de buitengerechtelijke schuldregeling daardoor onvoldoende correct en deskundig was uitgevoerd, maar verbindt hieraan geen negatieve gevolgen omdat een correct voorstel waarschijnlijk ook niet door schuldeisers was geaccepteerd.
De rechtbank weegt mee dat een deel van de belastingschulden ouder is dan vijf jaar en dat verzoekers geen nieuwe schulden hebben laten ontstaan sinds eind 2014, waardoor zij het voordeel van de twijfel krijgen en als te goeder trouw worden beschouwd.
De rechtbank wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling toe en benoemt een rechter-commissaris en bewindvoerder, stelt dat alle beslagen vervallen en kent een voorschot toe op het salaris van de bewindvoerder. Verzoekers worden gewezen op hun verplichtingen binnen de regeling en hun eigen verantwoordelijkheid om hulp te zoeken indien nodig.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling toe ondanks een onjuiste belastingschuld in het minnelijk traject.