ECLI:NL:RBDHA:2019:300

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2019
Publicatiedatum
16 januari 2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 8210
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14, tweede lid, aanhef en onder b, Rijkswet op het NederlanderschapArt. 8:83, derde lid, Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening tegen intrekking Nederlanderschap Syrië-ganger

Verzoeker, een persoon van wie het Nederlanderschap was ingetrokken wegens betrokkenheid bij Syrië-gang, heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De voorzieningenrechter had eerder een voorlopige voorziening toegewezen die het primaire besluit schorste tot zes weken na de beslissing op bezwaar.

Na het ongegrond verklaren van het bezwaar door verweerder, stelde verzoeker beroep in en verzocht opnieuw om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter schortte bij een ordemaatregel de werking van het bestreden besluit totdat op het verzoek om voorlopige voorziening zou worden beslist.

Verweerder maakte kenbaar zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek, waarna de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak deed. Het verzoek werd als kennelijk gegrond beoordeeld en toegewezen, waardoor de schorsing van het besluit werd verlengd tot zes weken na de uitspraak op het beroep. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt geschorst tot zes weken na uitspraak op het beroep.

Uitspraak

REchtbank DEN Haag

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR AWB 18/8210
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 januari 2019 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker], te [plaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),
tegen

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M. van Asperen).

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2018 heeft verweerder het Nederlanderschap van verzoeker in de zin van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), ingetrokken.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt.
De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 26 juni 208 (AWB 18/3969) het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen, in die zin dat het primaire besluit van 8 mei 2018 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Bij besluit van 5 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank (AWB 18/3813).
Voorts heeft hij een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Bij uitspraak van 18 december 2018 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de werking van het bestreden besluit van 5 november 2018 bij wijze van ordemaatregel geschorst totdat uitspraak is gedaan op het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening.
Bij emailbericht van 8 januari 2019 heeft verweerder de voorzieningenrechter meegedeeld dat hij zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek en dat er namens verweerder geen vertegenwoordiger op de zitting zal verschijnen.
Vervolgens heeft de griffier verzoeker telefonisch meegedeeld dat de zitting van 9 januari 2019 geen doorgang zal vinden en heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter zonder zitting uitspraak doen als het verzoek kennelijk gegrond is.
Nu verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek, zal de voorzieningenrechter het verzoek als kennelijk gegrond toewijzen.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit van 8 november 2018 worden geschorst tot zes weken na bekendmaking van de uitspraak op het beroep.
De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 512,-- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).
Voorts dient verweerder het betaalde griffierecht van € 170,00 aan verzoeker te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • schorst het bestreden besluit tot zes weken na verzending van de uitspraak op het beroep;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,-- aan verzoeker te vergoeden;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 512,-- te betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.G. Egter van Wissekerke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2019.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.