ECLI:NL:RBDHA:2019:3060
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening ongegrond verklaard
Eiser, een Eritrese asielzoeker, diende op 12 april 2017 een asielaanvraag in Nederland in. Deze aanvraag werd niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling, aangezien eiser daar reeds op 14 juli 2015 een verzoek om internationale bescherming had ingediend en op 2 oktober 2017 door Nederland aan Zwitserland was overgedragen.
Eiser diende op 17 oktober 2018 een herhaald asielverzoek in Nederland in, dat wederom niet in behandeling werd genomen omdat Zwitserland opnieuw de verantwoordelijkheid had aanvaard. Eiser stelde dat hij bij terugkeer naar Zwitserland het risico liep op indirect refoulement, mede omdat Zwitserland zijn asielaanvraag had afgewezen en het beleid anders zou zijn dan in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat Zwitserland zich verplicht heeft om het asielverzoek inhoudelijk te behandelen en dat de bescherming onder het Vluchtelingenverdrag en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens ook op Zwitserland rust. De rechtbank achtte het interstatelijk vertrouwensbeginsel tussen Nederland en Zwitserland nog steeds van toepassing en vond geen aanwijzingen dat sprake was van indirect refoulement.
Daarnaast was er geen onderbouwing voor humanitaire gronden om de asielaanvraag in Nederland te behandelen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De uitspraak werd mondeling gedaan op 7 februari 2019 door de rechtbank Den Haag, locatie Middelburg.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid van Zwitserland is ongegrond verklaard.