ECLI:NL:RBDHA:2019:3302
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs identiteit en familierechtelijke relatie
Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis bij een referente. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser 1 zijn identiteit niet aannemelijk kon maken en eiser 2, eiser 3 en eiseres noch hun identiteit noch hun familierechtelijke relatie met de referente konden aantonen. Verweerder nam niet aan dat sprake was van bewijsnood. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde UNHCR-pas onvoldoende bewijs vormde vanwege afwijkende personalia en dat het gestelde kerkelijk huwelijk niet was aangetoond met een huwelijksakte.
Eisers voerden aan dat zij in bewijsnood verkeerden en dat het ontbreken van documenten verklaard kon worden door de situatie in Eritrea. De rechtbank stelde echter vast dat de verklaringen van de referente over het ontbreken van documenten inconsistent en ongeloofwaardig waren. Ook het ontbreken van een identificerend interview werd niet als schending van de hoorplicht beoordeeld omdat verweerder op grond van de beschikbare gegevens geen aanleiding zag dit te houden.
De rechtbank concludeerde dat eisers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij niet over officiële documenten konden beschikken en dat verweerder terecht de aanvraag had afgewezen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf is ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van identiteit en familierechtelijke relatie.