ECLI:NL:RBDHA:2019:3303

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 maart 2019
Publicatiedatum
4 april 2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 5644
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens ontbreken duurzame en exclusieve relatie

Eiseres, een Ghanees staatsburger, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf op grond van verblijf bij haar partner, referent. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat geen duurzame en exclusieve huwelijksrelatie werd vastgesteld.

De Staatssecretaris baseerde zijn besluit mede op het feit dat referent en zijn ex-vrouw tot oktober 2016 op hetzelfde adres stonden ingeschreven, terwijl hij sinds 2014 een relatie met eiseres had en in oktober 2016 met haar trouwde. Daarnaast leverde een digitaal onderzoek via Facebook tegenstrijdige verklaringen van referent op, waaronder onwaarheden over zijn Facebookaccount en de identiteit van personen op foto's.

Eiseres voerde aan dat het gebruik van Facebookgegevens onzorgvuldig en niet objectief was, en dat de verklaringen van referent door de confrontatie met deze gegevens verward waren. De rechtbank oordeelde echter dat de combinatie van de inschrijving, de inconsistenties in verklaringen en het digitale onderzoek voldoende waren om de afwezigheid van een duurzame en exclusieve relatie aan te tonen.

De rechtbank wees het beroep af en bevestigde daarmee het besluit van de Staatssecretaris. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van een duurzame en exclusieve relatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/5644

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: S. Tstsouashvili),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van verblijf bij [referent] afgewezen.
Bij besluit van 15 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Ghanese nationaliteit. Op 9 maart 2017 heeft referent een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van verblijf bij hem ingediend.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat hij meent dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve huwelijksrelatie tussen eiseres en referent. Verweerder heeft geconstateerd dat referent en zijn ex-vrouw [A] in elk geval tot 26 oktober 2016 op hetzelfde adres in Rotterdam ingeschreven hebben gestaan, terwijl hij op dat moment al geruime tijd was getrouwd met eiseres. Naar aanleiding van het Rapport Digitaal Onderzoek is vervolgens verdere twijfel ontstaan aan de gestelde relatie. Eiseres en referent zijn daarom beiden gehoord. Tijdens dit gehoor is referent geconfronteerd met het onderzoek naar zijn Facebook account. Referent heeft vervolgens tegenstrijdige verklaringen over zijn Facebook account afgelegd en voorts later verklaard niet de waarheid te hebben gesproken. Ook hebben eiseres en referent over meerdere onderwerpen tegenstrijdig verklaard, zoals de geboortedatum van de dochter van referent, het al dan niet hebben van een Facebook account, en de kerstviering van 2015. Bij bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd en voorts aanvullend overwogen dat het huwelijk slechts is aangegaan met als enig oogmerk verblijfsrecht te verkrijgen.
3. Eiseres kan zich met deze beslissing niet verenigen en meent dat de beschikking onzorgvuldig tot stand is gekomen. De afwijzing van de aanvraag is gebaseerd op een gezamenlijke inschrijving bij de gemeente van referent en zijn ex-vrouw in combinatie met gegevens verkregen via Facebook. Deze gegevens vormen voor verweerder nu een aanwijzing voor een affectieve relatie terwijl omgekeerd dergelijke informatie bij het aantonen van een serieuze relatie niet overtuigend genoeg wordt geacht. Facebook voldoet niet aan de strenge (objectieve) criteria die verweerder normaal gesproken hanteert. Het gebruik van Facebook om een negatieve duiding aan de ernst van het huwelijk tussen eiseres en referent te geven is in strijd met de eigen objectieve maatstaven van de IND. Referent werd overvallen door de plotselinge confrontatie met de informatie verkregen via Facebook en heeft hierdoor verward verklaard. Deze verklaringen zijn bovendien niet meer te weerleggen nu verweerder voor deze verklaringen wel weer de eis van objectief bewijs stelt.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve huwelijksrelatie. Verweerder heeft daarbij van belang kunnen achten dat referent en zijn ex-vrouw [A] tot 26 oktober 2016 op hetzelfde adres ingeschreven hebben gestaan, terwijl referent volgens zijn eigen verklaring sinds 2014 een relatie met eiseres heeft en op 7 oktober 2016 met haar getrouwd is. De stelling van referent dat [A] en zijn dochter weliswaar in zijn huis woonden maar hijzelf bij een vriend is gaan wonen is niet onderbouwd en kan niet tot een ander oordeel leiden. Verweerder heeft voorts van belang kunnen achten dat uit het digitaal onderzoek is gebleken dat op referent zijn Facebookprofiel foto’s zichtbaar zijn met [A] en zijn dochter. Bij één van deze foto’s is door referent een bericht geplaatst: “Me and my family, my wife and children”. De profielfoto van referent betreft voorts een foto van hemzelf samen met [A] . Verweerder heeft voorts de door referent afgelegde verklaringen inconsistent en tegenstrijdig kunnen achten, nu referent eerst heeft verklaard dat het facebookaccount niet aan hem toebehoorde en de vrouw op de foto’s niet zijn ex-vrouw maar zijn nicht was, terwijl hij in een aanvullende verklaring d.d. 17 oktober 2017 heeft verklaard tijdens het gehoor niet de waarheid te hebben gesproken. Dat referent heeft verklaard bang te zijn geweest voor de reactie van de IND omdat hij met zijn ex-vrouw op foto’s staat, kan niet worden gevolgd. Dat referent niet de waarheid heeft gesproken dient voor rekening en risico van referent te komen. De stelling dat verweerder geen gebruik dient te maken van bevindingen die via Facebook verkregen zijn, wordt door de rechtbank eveneens niet gevolgd. Daarbij is van belang dat verweerder niet enkel de onderzoeksresultaten verkregen via Facebook aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. De inschrijving op hetzelfde adres, de inconsistente en tegenstrijdige verklaringen en het digitaal onderzoek zijn in samenhang bezien voor verweerder voldoende om te kunnen concluderen dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve huwelijksrelatie.
5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder terecht de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf afgewezen. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon - Overdijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.