ECLI:NL:RBDHA:2019:3410
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-inhoudelijke behandeling asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, van Libische nationaliteit, diende op 10 juli 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Uit Eurodac en onderzoek bleek dat hij eerder in België was aangehouden en daar gedurende vijf maanden ononderbroken verbleef, inclusief een detentieperiode wegens een druggerelateerd misdrijf.
De staatssecretaris nam de aanvraag niet in behandeling omdat België verantwoordelijk is voor de asielprocedure volgens artikel 13, tweede lid, van de Dublinverordening. Eiser voerde aan dat de detentieperiode niet als verblijf moet worden beschouwd en dat hij liever in Spanje asiel wilde aanvragen, maar onderbouwde deze stellingen niet.
De rechtbank oordeelde dat detentie als verblijf telt en dat persoonlijke voorkeuren van de asielzoeker geen rol spelen bij de toewijzing van de verantwoordelijke lidstaat. Ook vond de rechtbank dat de staatssecretaris terecht geen gebruik maakte van zijn bevoegdheid om de aanvraag in Nederland te behandelen, omdat eiser zijn medische omstandigheden niet met bewijs ondersteunde en België vergelijkbare voorzieningen heeft.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.