ECLI:NL:RBDHA:2019:367
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht asielaanvraag aan Duitsland op grond van Dublinverordening
Eiser, een Pakistaanse nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 25 oktober 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder, de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde dat Duitsland tekortkomingen vertoont in de asielprocedure en dat hij risico loopt op indirect refoulement, mede vanwege zijn lidmaatschap van de Ahmadiyya moslim-minderheid.
De rechtbank overwoog dat Duitsland is aangesloten bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt. Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen jegens hem niet zal nakomen. De aangevoerde rapporten van AIDA toonden geen systemische tekortkomingen die het vertrouwensbeginsel zouden ondermijnen. Ook het verschil in beleid ten aanzien van Ahmadiyya moslims tussen Nederland en Duitsland leidde niet tot een ander oordeel.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de aanvraag niet in behandeling heeft genomen en dat het beroep ongegrond is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de overdracht van de asielaanvraag aan Duitsland wordt ongegrond verklaard.