ECLI:NL:RBDHA:2019:369
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens vertrek vreemdeling met onbekende bestemming
De zaak betreft een beroep van een vreemdeling tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening.
Tijdens de zitting is gebleken dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde. Dit is door de gemachtigde aan de rechtbank gemeld.
Volgens vaste jurisprudentie betekent het vertrek met onbekende bestemming zonder contact te onderhouden dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Daarom heeft hij geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken en geen belang meer heeft bij de beoordeling.