ECLI:NL:RBDHA:2019:38
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking asielvergunning wegens verstrekken onjuiste gegevens en oplegging inreisverbod
Eiser diende op 23 oktober 2012 een asielaanvraag in waarbij hij verklaarde uitsluitend de Syrische nationaliteit te bezitten. Later bleek uit een visumonderzoek dat eiser in het bezit was van een Armeens paspoort, hetgeen hij had verzwegen. Verweerder trok daarom op grond van artikel 32 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 de asielvergunning met terugwerkende kracht in en legde een inreisverbod van twee jaar op.
Eiser voerde aan dat hij geen weet had van het Armeense paspoort en dat dit via illegale kanalen was verkregen. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende aannemelijk had gemaakt dat eiser bewust onjuiste of achtergehouden gegevens had verstrekt en dat eiser dit niet had kunnen weerleggen. Daarnaast werd geoordeeld dat geen sprake was van een reëel risico op vervolging in Armenië.
Verder stelde eiser dat de intrekking en het inreisverbod in strijd waren met artikel 8 EVRM Pro over het recht op privé- en gezinsleven. De rechtbank vond dat verweerder dit terecht niet als uitzonderlijke omstandigheden had aangemerkt en dat de intrekking en het inreisverbod proportioneel waren.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de rechtbank wees een proceskostenveroordeling af. Verweerder had de motivering voor het inreisverbod voldoende onderbouwd, ook met betrekking tot het evenredigheidsbeginsel.
De uitspraak bevestigt dat het verstrekken van onjuiste gegevens bij een asielaanvraag kan leiden tot intrekking van de vergunning en oplegging van een inreisverbod, ook als sprake is van een bestaand privé- en gezinsleven in Nederland.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de asielvergunning en het opleggen van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.