Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
3.Bewijsoverwegingen
ten aanzien van het impliciet subsidiair ten laste gelegde (doodslag)van oordeel dat met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, omdat de verdachte dat feit heeft bekend, hij daarna niet anders heeft verklaard en de verdediging daarvan geen vrijspraak heeft bepleit.
- de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 5 april 2019;
- het proces-verbaal houdende de verklaring van aangever [het slachtoffer] , blz. 89-91, ambtshandelingendossier;
- het deskundigenrapport “Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood” opgemaakt door dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, d.d. 3 mei 2018, met bijlagen, blz. 41-54, forensisch dossier.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De strafoplegging
7.De vordering van de benadeelde partij
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij daarmee onvoldoende heeft gesteld om te concluderen dat sprake is van shockschade die voor vergoeding in aanmerking kan komen. Immers blijkt niet dat sprake is van geestelijk letsel voortvloeiend uit een emotionele schok die is teweeggebracht door confrontatie met het bewezenverklaarde feit of de gevolgen daarvan.
8.De toepasselijke wetsartikelen
9.De beslissing
impliciet primairten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
impliciet subsidiairten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard, en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
12 (TWAALF) JAREN;