ECLI:NL:RBDHA:2019:3833
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland op grond van Dublinverordening
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, diende op 28 november 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname bij Duitsland ingediend, dat door Duitsland werd aanvaard.
Eiser betoogde dat hij slechte ervaringen had in Duitsland, waaronder mishandeling door de politie, gebrek aan rechtsbijstand en detentie, waardoor hij niet vertrouwt op een eerlijke behandeling van zijn asielaanvraag in Duitsland. De rechtbank overwoog dat Duitsland gebonden is aan het EVRM en het Vluchtelingenverdrag en dat verweerder mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er aan het Duitse systeem gerelateerde tekortkomingen zijn die het vertrouwen in een correcte procedure rechtvaardigen. Ook zijn persoonlijke ervaringen bieden onvoldoende grond om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te doorbreken. Daarnaast is het recht op gefinancierde rechtsbijstand in Duitsland afhankelijk van de kans van slagen van de procedure, wat conform de Dublinverordening en de Procedurerichtlijn is toegestaan.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees het af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.