ECLI:NL:RBDHA:2019:3845
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verblijfsrecht derdelander bij minderjarig Nederlands kind wegens onvoldoende afhankelijkheidsrelatie
Eiser, een Surinaamse nationaliteit dragende derdelander, verzocht om een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet, omdat hij bij zijn minderjarige Nederlandse dochter wilde verblijven. Hij beriep zich op het arrest Chavez-Vilchez van het HvJ EU en artikel 20 VWEU Pro, waarin het recht op verblijf bij minderjarige kinderen die Unieburger zijn wordt beschermd.
De staatssecretaris wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende had aangetoond dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen hem en zijn dochter dat zij gedwongen zou zijn Nederland te verlaten indien aan hem geen verblijfsrecht wordt toegekend. Eiser stelde dat hij meerdere avonden per week en in het weekend voor zijn dochter zorgt en dat hij bij zijn partner en dochter woont, ondersteund door verklaringen van een rechtbank en begeleiders.
De rechtbank oordeelde dat de contactregeling en de situatie van de dochter die bij haar moeder kan verblijven niet voldoende bewijs leveren van een noodzakelijke afhankelijkheid. Ook de economische situatie van eiser en zijn partner bood geen grond voor een andere conclusie. Een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro kon niet leiden tot een ander oordeel. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van het verblijfsdocument wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende afhankelijkheidsrelatie.