ECLI:NL:RBDHA:2019:3906

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 april 2019
Publicatiedatum
19 april 2019
Zaaknummer
NL19.6582 en NL19.6584
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Artikel 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Macedonische Roma wegens veilig land van herkomst

Eisers, van Macedonische nationaliteit en behorend tot de Roma-gemeenschap, vroegen asiel aan vanwege discriminatie, gedwongen deelname aan manifestaties en ontneming van hun woning. De Staatssecretaris wees de aanvragen af als kennelijk ongegrond, stellende dat Macedonië een veilig land van herkomst is.

De rechtbank overwoog dat hoewel de situatie van Roma in Macedonië niet optimaal is, dit niet leidt tot een onhoudbare situatie die asiel rechtvaardigt. Eisers konden hun beweringen onvoldoende met documenten onderbouwen, en de vermeende gedwongen deelname aan manifestaties en mishandeling werd niet aannemelijk gemaakt.

De rechtbank bevestigde dat Macedonië terecht als veilig land van herkomst is aangemerkt en dat de persoonlijke omstandigheden van eisers niet afwijken van deze algemene beoordeling. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep op asiel wordt ongegrond verklaard omdat Macedonië als veilig land van herkomst geldt en de persoonlijke omstandigheden onvoldoende aantonen dat dit anders is.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: NL19.6582 en NL19.6584

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2019 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer ]

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer ]
Mede namens hun minderjarige kind [kind] , geboren op [geboortedatum ] 2013,
(gemachtigde: mr. F. van Dijk),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.R. Bekink.

ProcesverloopBij besluiten van 15 maart 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.6583 en NL19.6585, plaatsgevonden op 11 april 2019. Eisers en gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben de Macedonische nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedatum ] 1992 en eiseres op [geboortedatum ] 1996.
Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag aangevoerd dat hij in Macedonië geen werk kan vinden, zijn woning is afgepakt, zijn zoon niet naar school kan en als Roma zijnde heeft hij geen rechten. Daarnaast werd hij gedwongen om mee te doen aan manifestaties en is hij tijdens een manifestatie op zijn neus geslagen en aangevallen met een mes.
2. Het asielrelaas van eisers bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
 nationaliteit, identiteit, herkomst en etniciteit;
 gedwongen deelname aan manifestaties/protesten waarbij eiser op zijn neus is geslagen en is aangevallen met een mes;
 gedwongen afname van de woning van eisers;
 discriminatie vanwege Roma afkomst.
3. Eisers hebben in beroep aangevoerd dat verweerder ten onrechte stelt dat de verklaringen van eiser over de manifestaties niet rijmen met feitelijke data van de manifestaties. Een kleine zoektocht op het internet leert echter dat de demonstraties tegen de naamsverandering van Macedonië ook in 2017 plaatsvonden. Dat eiser niet kan benoemen wie hem gedwongen heeft om mee te doen aan deze manifestaties mag door verweerder niet tegengeworpen worden. Het is namelijk voorstelbaar dat, zoals eiser heeft verklaard, dit een actieve groep nationalisten was die kennelijk onder één hoedje spelen met de politie. Hierdoor is het ook aannemelijk dat eisers hun woning hebben moeten verlaten onder wrang van deze mensen. Verweerder stelt ten onrechte dat eisers hiertegen de bescherming van de Macedonische autoriteiten kunnen inroepen. Daarnaast kan niet zonder meer worden gesteld door verweerder dat eisers door terugkeer naar Macedonië niet in een situatie zullen belanden die een schending van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1
De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat verweerder in de voornemens voldoende heeft gemotiveerd dat Macedonië een veilig land van herkomst is. Verder heeft verweerder reeds in de voornemens de situatie van de Roma-bevolkingsgroep in Macedonië nader toegelicht onder verwijzing naar het rapport van Europese Commissie van 10 november 2015 en een rapport van 13 juli 2015 van het Network for Protection from Discrimination en REACTOR. Verweerder stelt terecht dat de omstandigheid dat de feitelijke toepassing van het wettelijke stelsel ter bescherming van de mensenrechten verbetering behoeft, ook ten aanzien van de rechten van Roma, niet afdoet aan het uitgangspunt dat in Macedonië in zijn algemeenheid geen sprake is van vervolging dan wel schending van artikel 3 EVRM Pro. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bij uitspraak van 12 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:62, geoordeeld dat verweerder Macedonië terecht heeft aangewezen als veilig land van herkomst. De presumptie van veilig land van herkomst kan echter niet worden gehandhaafd wanneer de vreemdeling aannemelijk maakt dat het betreffende land van herkomst in zijn persoonlijke geval niet als veilig land kan worden beschouwd. Het asielrelaas van de vreemdeling vormt hierbij het uitgangspunt.
4.2
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eisers er niet toe leiden dat in hun geval Macedonië niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Hoewel de omstandigheden voor Roma wellicht niet optimaal zijn, blijkt uit de verklaringen van eiser dat hij een woning had en toegang had tot medische zorg. Hieruit blijkt niet dat er sprake is van een onhoudbare situatie. Verweerder heeft tevens niet ten onrechte tegengeworpen dat eisers geen documenten hebben overgelegd om hun asielrelaas te onderbouwen, zoals bijvoorbeeld bewijs van de afname van hun woning. Nu eisers reeds in 2013 asiel hebben aangevraagd, waren zij bekend met het belang dat door verweerder wordt gehecht aan documenten of ander objectief bewijsmateriaal. De enkele stelling dat de politie kennelijk onder één hoedje zou spelen met de actieve groep nationalisten/sekte en hij daardoor geen mogelijkheden ziet of durft te onderzoeken om hiertegen zijn beklag of aangifte te doen, om bescherming te vragen en aan documenten te komen die deze gang van zaken onderbouwen, is door verweerder terecht niet voldoende geacht.
Daarnaast zijn de verklaringen van eiser over zijn gedwongen deelname aan manifestaties en de mishandeling ook niet met documenten onderbouwd. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat eiser de gedwongen deelname met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt aangezien de protesten met betrekking tot de naamswijziging hebben plaatsgevonden in maart 2018. Echter, betrokkene heeft zijn land van herkomst verlaten op
23 december 2017, voorts zijn er geen bronnen bekend welke spreken van protesten of manifestaties met betrekking tot de naamswijziging in 2017. Eiser heeft een artikel van The Guardian van 27 april 2017 overgelegd om aan te tonen dat er in 2017 wel degelijke prostesten plaatsvonden over de naamswijziging van Macedonië. Nu dit artikel ziet op protesten naar aanleiding van een nieuwe gekozen voorzitter van het parlement leidt dit niet tot een ander oordeel.
4.3
Gezien het bovenstaande bestaat er geen rechtsgronden voor verlening van een verblijfsvergunning asiel als genoemd in artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.E. Maas, griffier, op 18 april 2019.
griffier rechter
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.