ECLI:NL:RBDHA:2019:4057
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek lage motorrijtuigenbelasting voor bestelauto gehandicapten
Eiser verzocht om toepassing van het lage tarief motorrijtuigenbelasting voor gehandicapten voor een bestelauto die hij sinds 17 mei 2018 houdt. Hij stelde dat de bestelauto gelijktijdig wordt gebruikt voor vervoer van gehandicapte personen en noodzakelijke hulpmiddelen. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 24a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994, omdat de genoemde hulpmiddelen geen normale lichaamsfunctie overnemen.
Eiser voerde aan dat hij rugklachten heeft en hulpmiddelen voor zijn zonen vervoert, waaronder medicijnen en ziekenhuisbedden. De rechtbank stelt dat deze middelen niet als noodzakelijk hulpmiddel in de zin van de wet kunnen worden aangemerkt. Tevens faalt het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat de coulanceregeling niet van toepassing is op de huidige bestelauto, die na 1 juli 2005 op naam is gesteld.
De rechtbank concludeert dat het verzoek om het lage tarief terecht is afgewezen en verklaart het beroep ongegrond. De uitspraak is gemotiveerd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om het lage tarief motorrijtuigenbelasting wordt afgewezen.