ECLI:NL:RBDHA:2019:4142
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering asielvergunning aan Afghaanse man wegens ongeloofwaardige bekering tot christendom
Eiser, een Afghaanse man, diende meerdere asielaanvragen in waarbij hij stelde dat hij was bekeerd tot het christendom. Eerdere aanvragen werden afgewezen en deze afwijzingen zijn in rechte vastgesteld. Bij zijn laatste aanvraag stelde hij dat zijn geloof zich had verdiept, onder meer door een aanstaande doop en nieuwe tatoeages in de vorm van een kruis. De staatssecretaris verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk omdat er geen nieuwe relevante elementen waren die de aanvraag konden ondersteunen.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn bekering tot het christendom geloofwaardig was. Hoewel eiser enige kennis van het christendom toonde, gaf hij geen overtuigende verklaring over de persoonlijke betekenis en het proces van zijn bekering. Ook het argument dat tatoeages op zijn lichaam een risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Afghanistan zouden vormen, werd verworpen omdat deze tatoeages eenvoudig te bedekken zijn en eiser dit risico onvoldoende onderbouwde.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.