Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2019 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 19 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Daarnaast is ambtshalve besloten eiser geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 juncto artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Verder is aan eiser geen uitstel tot vertrek verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000. Bepaald is dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en dat tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.
Overwegingen
Rechtbank: bedoeld zal zijn december 2018 in plaats van november 2018].