ECLI:NL:RBDHA:2019:4390

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2019
Publicatiedatum
3 mei 2019
Zaaknummer
NL19.6791
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 17 DublinverordeningArt. 25 Dublinverordening
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen

De eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij verweerder zich beroept op de Dublinverordening die bepaalt dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.

De rechtbank heeft in haar overwegingen vastgesteld dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en er geen aanwijzingen zijn dat Italië niet conform internationale verdragen zal handelen. Er zijn geen structurele tekortkomingen in de Italiaanse asielprocedure en opvangvoorzieningen vastgesteld. De rechtbank achtte het beroep ongegrond omdat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden heeft aangevoerd die de overdracht naar Italië onevenredig hard maken.

De rechtbank wees ook het verzoek om proceskostenveroordeling af, mede omdat Nederland een verzoek tot terugname bij Italië had gedaan dat niet tijdig werd beantwoord, wat volgens artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening gelijkstaat aan aanvaarding van het verzoek. De uitspraak is gedaan door rechter Bosman en griffier Nobel op 24 april 2019.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.6791

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M. Dalloesingh),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: E. Biçer).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.6792, plaatsgevonden op 18 april 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het terugnameverzoek.
2. Op grond van de laatste berichten en de meest recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is de rechtbank van oordeel dat verweerder uit kan gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen is dan ook niet gebleken. Dat betekent dat niet valt in te zien dat eiser na zijn terugkeer naar Italië niet zal worden behandeld volgens de internationale verdragen waarbij Italië is aangesloten. Indien eiser niet conform deze verdragen behandeld zal worden kan hij daarover een klacht indienen bij de Italiaanse autoriteiten. Gesteld noch gebleken is dat de autoriteiten niet op eisers klacht zullen reageren.
3. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in hetgeen eiser heeft aangevoerd in redelijkheid geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Niet gebleken is dat sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt. Dat eiser geen banden met Italië heeft is daartoe onvoldoende. Niet gebleken is dat hij zich daar niet staande kan houden.
4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2019.
griffier rechter
De uitspraak is bekendgemaakt aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.