ECLI:NL:RBDHA:2019:4392

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2019
Publicatiedatum
3 mei 2019
Zaaknummer
NL19.6870
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwArt. 17 Dublinverordening
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij op basis van de Dublinverordening is vastgesteld dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag.

De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de discretionaire bevoegdheid van verweerder, zoals neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, correct is toegepast. Hierbij is verwezen naar het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin is bepaald dat toetsing van dergelijke bevoegdheden terughoudend moet zijn. De rechtbank concludeert dat verweerder redelijk heeft geoordeeld dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die een overdracht naar Zwitserland onevenredig hard maken.

Eiseres heeft aangevoerd dat zij zich in Zwitserland niet veilig voelt vanwege mogelijke opsporing door haar familie, maar de rechtbank stelt dat zij zich in dat geval tot de Zwitserse autoriteiten kan wenden voor bescherming. Gezien deze omstandigheden verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.J.P. Bosman en griffier A. Nobel op 24 april 2019.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.6870

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2019 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Biçer).

Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL 19.6871, plaatsgevonden op 18 april 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Makaddam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek geaccepteerd op 20 november 2018.
2. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder het beroep van eiseres op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening alleen aan het nationale recht heeft getoetst. Eiseres heeft in dat kader gewezen op het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië van
16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127), waaruit volgt dat de toepassing en toetsing van een bevoegdheid uit de Dublinverordening naar Unierecht dient plaats te vinden. De in artikel 17 neergelegde Pro bevoegdheid betreft een discretionaire bevoegdheid van verweerder die de rechtbank terughoudend dient te toetsen. Uitgaande van deze toetsingsmaatstaf is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt en op grond waarvan verweerder het verzoek van eiseres in behandeling zou moeten nemen. Uit pagina 4 van het voornemen blijkt dat verweerder in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de door eiseres aangedragen feiten en omstandigheden heeft meegewogen in zijn beoordeling. De rechtbank ziet in het licht van het voorgaande niet in hoe de wijze waarop verweerder in dit geval invulling heeft gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid niet strookt met het bepaalde in het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië.
3 Eiseres heeft aangevoerd dat zij zich in Zwitserland niet veilig voelt omdat zij bang is dat haar familie haar daar kan opsporen. Haar familie heeft er weet van dat zij met een visum Zwitserland is binnen gereisd. Eiseres was journalist in Syrië en haar oom een hooggeplaatst militair, die haar werk afkeurde. Verweerder heeft hierover terecht opgemerkt dat wanneer eiseres in Zwitserland problemen met haar familie ondervindt, zij zich kan en dient te wenden tot de Zwitserse autoriteiten. Verder kan zij haar asielmotieven kenbaar maken en internationale bescherming vragen bij de Zwitserse autoriteiten
4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2019.
griffier rechter
De uitspraak is bekendgemaakt aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.