ECLI:NL:RBDHA:2019:4392
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om haar aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. Dit besluit is genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, waarbij op basis van de Dublinverordening is vastgesteld dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van haar aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep behandeld en beoordeeld of de discretionaire bevoegdheid van verweerder, zoals neergelegd in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, correct is toegepast. Hierbij is verwezen naar het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin is bepaald dat toetsing van dergelijke bevoegdheden terughoudend moet zijn. De rechtbank concludeert dat verweerder redelijk heeft geoordeeld dat er geen bijzondere individuele omstandigheden zijn die een overdracht naar Zwitserland onevenredig hard maken.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij zich in Zwitserland niet veilig voelt vanwege mogelijke opsporing door haar familie, maar de rechtbank stelt dat zij zich in dat geval tot de Zwitserse autoriteiten kan wenden voor bescherming. Gezien deze omstandigheden verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J.J.P. Bosman en griffier A. Nobel op 24 april 2019.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van haar asielaanvraag is ongegrond verklaard.