ECLI:NL:RBDHA:2019:5229
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende individuele gegronde vrees in veilig land van herkomst
Eiser, een Marokkaanse staatsburger van Berberse afkomst, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij stelde dat hij in Marokko als oneigenlijk kind wordt gediscrimineerd en vreest voor conflicten tussen Berbers en Arabieren, met name in het Rif-gebied. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond op basis van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Marokko als veilig land van herkomst geldt en eiser onvoldoende persoonlijke problemen aannemelijk maakte.
De rechtbank bevestigde dat de aanwijzing van Marokko als veilig land van herkomst ook geldt voor het Rif-gebied, conform recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hierdoor geldt een rechtsvermoeden dat vreemdelingen uit Marokko geen bescherming behoeven, waarbij een hoge bewijslast voor de vreemdeling geldt om het tegendeel te bewijzen.
Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij persoonlijk ernstige discriminatie of vervolging ondervindt die zijn maatschappelijke functioneren onmogelijk maakt, noch dat de Marokkaanse autoriteiten hem niet kunnen of willen beschermen. Ook waren de gronden tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod niet aan de orde in deze procedure.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende individuele gegronde vrees.