ECLI:NL:RBDHA:2019:5266
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verzuimboete wegens stelselmatig niet tijdig doen van aangifte inkomstenbelasting
Eiseres heeft voor het jaar 2016 en de voorgaande jaren 2012 tot en met 2015 niet tijdig aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) gedaan. De Belastingdienst heeft daarom een verzuimboete opgelegd van het wettelijke maximum van €5.278 wegens stelselmatig verzuim.
Eiseres maakte bezwaar tegen de boete en stelde dat de aangifte door de accountant van haar man werd verzorgd, die de aangifte niet tijdig indiende. Ook voerde zij aan dat er sprake was van gelijkheidsbeginsel op grond van een eerdere uitspraak van het hof Den Haag. De rechtbank oordeelt dat de boete terecht is opgelegd omdat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij alle redelijke zorg heeft betracht om het verzuim te voorkomen (avas). Het verzoek om uitstel door de accountant is niet door de Belastingdienst gehonoreerd.
De rechtbank stelt vast dat het stelselmatig verzuim rechtvaardigt dat de boete tot het wettelijke maximum wordt opgelegd. De hoogte van de boete is gekoppeld aan het verzuim en niet aan de hoogte van de verschuldigde belasting. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat de eerdere hofuitspraak niet vergelijkbaar is en het beleid ten aanzien van verzuimboetes is aangescherpt.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de opgelegde verzuimboete. Een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de verzuimboete van het wettelijke maximum wegens stelselmatig niet tijdig doen van aangifte en verklaart het beroep ongegrond.