De moeder verzocht om vervangende toestemming om met haar twee minderjarige kinderen te verhuizen van hun huidige woonplaats naar de regio Utrecht, voorafgaand aan de echtscheidingsprocedure. Zij stelde dat zij aangewezen is op een sociale huurwoning in Utrecht en dat zij zich wil voorbereiden op een nieuw leven na de echtscheiding. De moeder benadrukte dat de zorgregeling met de vader vergelijkbaar zou blijven en dat de kinderen zich makkelijk zouden aanpassen.
De vader verzette zich tegen de verhuizing en stelde dat de moeder het verzoek gebruikte om zijn gelijkwaardige ouderrol te ondermijnen. Hij benadrukte het belang van nabijheid voor de zorg en opvoeding, en dat de moeder onvoldoende had aangetoond dat zij geen woning of baan in de huidige regio kon vinden. De vader wees ook op de sterke binding van de kinderen met hun huidige woonomgeving.
De rechtbank overwoog dat bij gezamenlijke gezagsuitoefening verhuizingen zorgvuldig moeten worden afgewogen, zeker als een echtscheidingsprocedure loopt. De moeder had onvoldoende onderbouwd waarom zij niet in de huidige regio kon blijven wonen en werken. Daarnaast zou de verhuizing de rol van de vader in de zorg voor de kinderen beperken. Daarom werd het verzoek afgewezen.
De rechtbank benadrukte het belang van gelijkwaardig ouderschap na de echtscheiding en dat de moeder zich moet inspannen om een baan en woning te vinden in de regio waar de kinderen zijn opgegroeid. De beschikking werd uitgesproken door drie kinderrechters op 4 juni 2019.