ECLI:NL:RBDHA:2019:5502
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens ongeloofwaardig relaas en termijnoverschrijding
Eiser, een Oezbeekse nationaliteit, diende op 4 januari 2018 een asielaanvraag in die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep werd één dag na de termijn ingesteld, maar de rechtbank achtte deze termijnoverschrijding verschoonbaar vanwege onjuiste informatie in het bestreden besluit.
Eiser stelde dat onvoldoende rekening was gehouden met communicatieproblemen en medische klachten tijdens het nader gehoor en dat zijn asielrelaas consistent en gedetailleerd was. Hij verklaarde getuige te zijn geweest van een afranseling en dat twee mannen hem daarna hadden gezocht, wat hem deed vluchten.
De rechtbank oordeelde dat de communicatie met de tolk adequaat was en dat het FMMU-advies voldoende was gevolgd. Het asielrelaas werd als ongeloofwaardig beoordeeld vanwege inconsistenties over het moment van de afranseling, summiere beschrijvingen van de mannen en onvoldoende aannemelijkheid van hun bezoeken aan het huisadres. Tevens was het niet aannemelijk dat eiser niet op de hoogte was van de mogelijkheid tot het indienen van een asielaanvraag.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt ongegrond verklaard.