Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
dagvaarding 1) en 09/837115-19 (hierna ook:
dagvaarding 2). De tekst van de tenlasteleggingen is in bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3.Bewijsoverwegingen
nadatzij geschreeuw hoorde en dus nadat de aangever al een klap met de stok had gehad. Gelet op deze bewijsmiddelen acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat hij de aangever maar tweemaal met de stok heeft geraakt niet aannemelijk.
voorbedachte raadzijn verbonden, niet lichtzinnig met het bewijs voor die kwalificatie mag worden omgegaan. In het dossier bevindt zich slechts één concreet bewijsmiddel dat erop kan wijzen dat de verdachte voorbedachte raad op de dood van de aangever heeft gehad, namelijk de verklaring van de echtgenote van de verdachte dat de verdachte op een zeker moment heeft gezegd dat hij de aangever iets zou gaan aandoen. Dit heeft de verdachte met zoveel woorden ook erkend ter terechtzitting. De rechtbank acht dit echter onvoldoende om voorbedachte raad te kunnen bewijzen.
Iemand iets aandoenkan immers veel meer omvatten dan enkel het doden van iemand. Ook de door de officier van justitie genoemde omstandigheid dat de verdachte enige tijd in de voortuin van de buren van de aangever heeft gewacht alvorens toe te slaan en om die reden dus tijd genoeg had om zich te bedenken, is onvoldoende om voorbedachte raad te bewijzen. Als niet kan worden bewezen dat de verdachte op dat moment al van plan was om de aangever te doden, dan heeft hij de beschikbare tijd in de voortuin van de buren van de aangever immers ook niet kunnen gebruiken om van zijn plan af te stappen. Daarnaast is ook onvoldoende duidelijk hoeveel tijd de verdachte daadwerkelijk bewust heeft besteed aan het nadenken over de manier waarop hij de aangever zou gaan aanvallen of de plek waar hij hem zou raken.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De strafoplegging
7.De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
indienhij drie zondagen zou hebben gewerkt, maar er is geen onderbouwing voor de stelling dát hij die drie zondagen ook daadwerkelijk zou hebben gewerkt. Voor wat betreft de gevorderde kosten aan gemiste atv-dagen kan de rechtbank niet vast stellen of deze daadwerkelijk zijn ingehouden en evenmin of dit dan om een bruto of een netto bedrag gaat, terwijl enkel een netto bedrag in dit kader voor vergoeding in aanmerking zou komen. Voor de gehele schadecomponent van € 771,63 zal de aangever dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.
8.De toepasselijke wetsartikelen
9.De beslissing
5 (vijf) jaren;
€ 9.026,99, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;
€ 9.026,99, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 mei 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van benadeelde [slachtoffer 1] ;
80 (tachtig) dagen;