ECLI:NL:RBDHA:2019:6013
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot dwanginstemming schuldregeling ex art. 287a Faillissementswet
Verzoekster diende gelijktijdig met haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek in tot dwanginstemming met een aangeboden schuldregeling ex artikel 287a Faillissementswet. De rechtbank stelde vast dat verzoekster een schuld van ruim €125.000 heeft, waarvan ruim 45% aan ING Bank N.V. verschuldigd is. De aangeboden regeling voorziet in een uitkering van circa 7,18% aan preferente en 3,95% aan concurrente schuldeisers na 36 maanden, met finale kwijting van het restant.
Verzoekster werkt 40 uur per week bij een bedrijf van haar broer en verdient netto minder dan het minimumloon, mede door niet-vergoede reiskosten. De rechtbank oordeelde dat verzoekster in het kader van de WSNP inspanningen moet verrichten om een beter betaalde baan te vinden, wat een gunstiger resultaat voor schuldeisers kan opleveren dan de buitengerechtelijke regeling. Omdat de schuldhulpverlener aangaf dat een dergelijke inspanningsverplichting niet wordt opgelegd in het prognoseakkoord, kon de rechtbank niet aannemen dat het buitengerechtelijke akkoord gunstiger is dan de WSNP.
Daarom werd het verzoek tot dwanginstemming afgewezen. Verzoekster handhaafde haar verzoek tot toelating tot de WSNP, waarover een afzonderlijk vonnis zal worden gewezen.
Uitkomst: Verzoek tot dwanginstemming met schuldregeling ex artikel 287a Faillissementswet is afgewezen.