ECLI:NL:RBDHA:2019:6251
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit opheffing ongewenstverklaring en oplegging inreisverbod wegens motiveringsgebrek
Eiser, van Surinaamse nationaliteit, was sinds 2008 tot ongewenst vreemdeling verklaard. In 2018 verzocht hij om opheffing van deze verklaring en een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro. Verweerder hief de ongewenstverklaring op, maar legde een inreisverbod van twee jaar op, omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor opheffing en er geen sprake was van een beschermenswaardig gezinsleven met zijn dochter.
De rechtbank stelde vast dat eiser onvoldoende had aangetoond dat hij vijf jaar buiten de EU verbleef, een vereiste voor opheffing. Tevens oordeelde de rechtbank dat verweerder ten onrechte alleen de relatie met de meerderjarige dochter had beoordeeld en niet de overige familie- en privéomstandigheden, ondanks dat een aanvraag op grond van artikel 8 EVRM Pro was ingediend.
Hierdoor was het besluit niet zorgvuldig en ontbrak een deugdelijke motivering, wat strijdig is met de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit en gaf verweerder acht weken om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege een motiveringsgebrek en verweerder moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen.