ECLI:NL:RBDHA:2019:6253
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G. de Zeben - de Vries
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, met de Armeense nationaliteit, diende een asielaanvraag in Nederland in op 2 mei 2018. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Polen verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Polen had het verzoek tot overname aanvaard.
Eiser voerde aan nooit in Polen te zijn geweest en geen asielaanvraag daar te hebben ingediend, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank stelde dat het bezit van een Schengenvisum voor Polen en het ontbreken van bewijs voor een andere reisroute voldoende grond was om Polen als verantwoordelijke lidstaat aan te merken.
Eiser stelde ook dat hij psychische klachten heeft en dat overdracht aan Polen zou leiden tot een schending van artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende medische stukken had overgelegd om dit aannemelijk te maken. Ook het beroep op artikel 64 Vw Pro 2000 en op familiebanden faalde wegens gebrek aan onderbouwing.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat er geen reden is om af te wijken van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het verzoek om een voorlopige voorziening was eerder toegewezen, waardoor eiser niet uit Nederland verwijderd mocht worden totdat op het beroep was beslist.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt niet in behandeling genomen omdat Polen verantwoordelijk is.