ECLI:NL:RBDHA:2019:6300
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor arbeid EU Blauwe Kaart houder na intrekking erkenning referent
Verzoeksters hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarbij de aanvraag tot wijziging van het doel van de verblijfsvergunning van verzoekster 1 naar een EU Blauwe Kaart is afgewezen. Verzoekster 1 is de enige werknemer en Manager Director van verzoekster 2, wiens erkenning als referent was ingetrokken.
De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang omdat verzoekster 1 zonder arbeidsovereenkomst geen werkzaamheden mag verrichten, wat grote economische gevolgen heeft voor verzoekster 2. De staatssecretaris stelde dat het looncriterium voor de EU Blauwe Kaart niet wordt gehaald en dat er sprake is van oneigenlijk gebruik van de regeling.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster 1 voldoet aan de voorwaarden voor de EU Blauwe Kaart en dat het belang bij het verzoek aanwezig is nu de erkenning van verzoekster 2 als referent is ingetrokken. Gezien het financiële belang en het feit dat verzoekster 1 nog steeds gerechtigd is arbeid te verrichten, wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen.
Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Verzoekster 1 is gerechtigd om gedurende de bezwaarprocedure arbeid te verrichten voor verzoekster 2 zonder tewerkstellingsvergunning.