ECLI:NL:RBDHA:2019:6491
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende aannemelijkheid identiteit en nationaliteit Eritrese asielzoeker
Eiser, afkomstig uit Eritrea, verzocht op 1 maart 2018 asiel in Nederland met het argument te vrezen voor militaire dienstplicht. Verweerder wees het verzoek op 28 mei 2019 af als kennelijk ongegrond, omdat eiser zijn identiteit, nationaliteit en herkomst onvoldoende aannemelijk had gemaakt. De rechtbank behandelde het beroep op 13 juni 2019.
Eiser kon geen officiële documenten overleggen ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit. Zijn verklaringen waren inconsistent, met name over zijn geboortedatum, die verschilde van de registratie in Italië. Ook ontbraken registratiegegevens van het vluchtelingenkamp waar hij zou hebben verbleven. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende bewijs leverde en dat de gestelde verklaring van een oom niet overtuigend was.
Verder werd het beroep op bewijsnood verworpen, omdat eiser geen redelijke inspanningen had verricht om documenten te verkrijgen. Een taalanalyse werd niet noodzakelijk geacht omdat de gebruikte taal ook in andere landen voorkomt. Gezien de vaste jurisprudentie kon de rechtbank de verdere inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas achterwege laten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het asielverzoek wordt ongegrond verklaard.