ECLI:NL:RBDHA:2019:6639
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en afwijzing voorlopige voorziening
Eiser, een Togolese nationaliteit, diende op 30 januari 2019 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Nederland had een verzoek tot terugname bij Italië gedaan, dat door Italië was aanvaard.
Eiser stelde dat hij mogelijk slachtoffer is van mensenhandel en dat hij daarom niet overgedragen mocht worden zonder eerst een gesprek met het Adviesbureau Ingezetenen Mensenhandel (AVIM) te hebben gehad. De rechtbank overwoog dat het aan eiser zelf is om aangifte te doen bij het AVIM en dat er geen wettelijke grondslag is voor de staatssecretaris om een afspraak te maken. Eiser had geen concrete aanwijzingen of onderbouwing gegeven over zijn status als slachtoffer.
De rechtbank volgde het standpunt van de staatssecretaris dat zolang eiser geen aangifte heeft gedaan, Nederland niet verantwoordelijk is voor de asielaanvraag. Bovendien mag Nederland erop vertrouwen dat Italië zijn verplichtingen nakomt, waaronder het serieus onderzoeken van een eventuele aangifte van mensenhandel. De rechtbank wees het beroep ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening af, omdat er geen aanleiding was om de overdracht aan Italië te verhinderen.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.