Eiser had het recht op bijstand ingetrokken gekregen en de ontvangen bijstand teruggevorderd door verweerder, het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, vanwege het niet verstrekken van gevraagde bankafschriften. De rechtbank constateerde in een tussenuitspraak dat het onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand over februari en maart 2017 onvolledig was en het besluit ondeugdelijk gemotiveerd.
Verweerder kreeg de gelegenheid het gebrek in de motivering te herstellen door aanvullende financiële gegevens op te vragen. Ondanks verlenging verstrekte eiser deze gegevens niet. Verweerder paste daarop de motivering aan en stelde dat eiser in strijd met zijn inlichtingenverplichting had gehandeld, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De rechtbank oordeelde dat deze aanvullende motivering het gebrek herstelde en dat financiële gegevens essentieel zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover het betrekking had op februari en maart 2017. De rechtsgevolgen van het besluit bleven echter in stand op grond van de herstelde motivering.
Verder werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiser. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.