ECLI:NL:RBDHA:2019:6866
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag op grond van LHBTI-geaardheid uit Trinidad en Tobago
Eiser, een burger van Trinidad en Tobago, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van zijn homoseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende bedreigingen en discriminatie in zijn land van herkomst. Hij deed melding van meerdere incidenten van bedreiging en lastigvallen, alsmede discriminatie bij sollicitaties.
De Staatssecretaris wees de aanvraag af omdat geen sprake was van gegronde vrees voor vervolging, mede omdat eiser na de incidenten geen verdere problemen ondervond, aangifte kon doen en de discriminatie niet leidde tot onmogelijkheid tot maatschappelijke participatie. Trinidad en Tobago is aangemerkt als veilig land van herkomst met uitzondering van LHBTI’ers, maar eiser kon onvoldoende aantonen dat hij persoonlijk een reëel risico loopt.
De rechtbank overwoog dat eiser zijn seksuele geaardheid in Trinidad en Tobago kon uiten, onder meer door het volgen van een cursus, werk en sociale contacten. De incidenten waren geïsoleerd en aangifte was mogelijk. De situatie in Trinidad en Tobago rechtvaardigt geen algemene erkenning van vervolging van LHBTI’ers. De rechtbank vond dat de Staatssecretaris het besluit voldoende had gemotiveerd en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 EVRM Pro.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is ongegrond verklaard en de aanvraag afgewezen.