ECLI:NL:RBDHA:2019:6958
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vaststelling behoud Nederlandse nationaliteit ondanks verkrijging Swazilandse nationaliteit
Verzoekster, geboren uit Nederlandse ouders en sinds haar geboorte Nederlands, had naast haar Nederlandse nationaliteit ook de nationaliteit van Swaziland verkregen. De IND stelde dat zij hierdoor haar Nederlandse nationaliteit had verloren, omdat zij niet voldeed aan de uitzondering van artikel 15 lid 2 onder Pro b RWN, die vereist dat het hoofdverblijf gedurende vijf aaneengesloten jaren in het buitenland moet zijn geweest.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster gedurende haar minderjarigheid onafgebroken haar hoofdverblijf in Swaziland had, ondanks tussentijdse verblijven in Nederland. Deze verblijven waren kort, hadden het karakter van verlof vanwege het zendingswerk van haar vader en het gezin had geen eigen woning in Nederland. De rechtbank vond dat het centrum van de activiteiten van het gezin in Swaziland lag en dat de verblijven in Nederland geen onderbreking vormden van het hoofdverblijf in Swaziland.
Daarmee voldeed verzoekster aan de uitzonderingsbepaling waardoor zij haar Nederlandse nationaliteit niet verloor. Gevolg was dat ook haar minderjarige dochter de Nederlandse nationaliteit bezit. De rechtbank stelde dit formeel vast en verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Verzoekster en haar minderjarige dochter behouden hun Nederlandse nationaliteit ondanks verkrijging van de Swazilandse nationaliteit.