ECLI:NL:RBDHA:2019:7181
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing derde aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens ontbreken wezenlijke meerwaarde
Verzoeker, een Turkse zelfstandige kapper, heeft voor de derde keer een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige bij hetzelfde bedrijf. De tweede aanvraag werd na een negatief advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) afgewezen en dit besluit werd bevestigd door de rechtbank en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De huidige aanvraag bevatte een nieuw ondernemingsplan, maar dit plan herstelde de gebreken die in het negatieve RvO-advies waren geconstateerd niet. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een wezenlijke meerwaarde levert aan de onderneming of dat hij met zijn werkzaamheden voorziet in een concrete behoefte. Ondanks de aankondiging van nieuwe bewijsstukken heeft hij deze niet overgelegd.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het negatieve RvO-advies nog steeds geldt en dat de aanvraag terecht is afgewezen omdat niet is aangetoond dat met de werkzaamheden een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Het bezwaar wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het bezwaar tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.