ECLI:NL:RBDHA:2019:7222
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing onrechtmatige verlenging maatregel van bewaring vreemdeling
Eiser werd op 29 maart 2019 onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Deze maatregel werd op 20 juni 2019 door verweerder met drie maanden verlengd op basis van artikel 59b, derde lid, Vw. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van de maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.
De rechtbank toetste de rechtmatigheid van de verlenging en concludeerde dat de maatregel tot het moment van het eerdere onderzoek rechtmatig was, maar dat de verlenging op grond van artikel 59b, derde lid, niet mogelijk was omdat eiser geen rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, van de Vw. Verweerder had ten onrechte de maatregel verlengd terwijl de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk was verklaard en geen sprake was van rechtmatig verblijf gedurende de beroepstermijn.
De rechtbank oordeelde dat de verlenging onrechtmatig was en beval de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring. Tevens kende de rechtbank een schadevergoeding toe van €2.240,- voor 28 dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde verweerder tot betaling van de proceskosten van €512,-. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig verlengd en wordt opgeheven met toekenning van schadevergoeding en proceskosten.