ECLI:NL:RBDHA:2019:7267
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing maatregel bewaring na afwijzing asielaanvraag wegens ontbreken rechtmatig verblijf
Eiser, van Ghanese nationaliteit, diende op 30 mei 2019 een asielaanvraag in die op 23 juni 2019 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegelijkertijd legde verweerder een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59b, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen.
De rechtbank onderzocht of de maatregel van bewaring terecht was opgelegd. Volgens de rechtbank had eiser vanaf de datum van afwijzing geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, aanhef en onder h, Vw, omdat de werking van het besluit niet was opgeschort en er geen rechterlijke beslissing was die uitzetting tijdelijk verhinderde. De verwijzing van verweerder naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU (arrest Gnandi en beschikking C., J. en S.) veranderde hier niets aan, omdat deze jurisprudentie het verblijf als illegaal kwalificeert in de zin van de Terugkeerrichtlijn, wat niet gelijkstaat aan rechtmatig verblijf volgens de Vw.
De rechtbank oordeelde dat de maatregel van bewaring daarom onrechtmatig was en beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van de uitspraakdatum. Daarnaast kende de rechtbank eiser een schadevergoeding toe van €1.440,- voor 18 dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde de Staat tot betaling van proceskosten van €1.024,-. Het beroep werd daarmee gegrond verklaard.
Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven en eiser ontvangt een schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring.