ECLI:NL:RBDHA:2019:7315
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitsland in Dublinprocedure ondanks wens tot aangifte mensenhandel
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen zijn voorgenomen overdracht aan de Duitse autoriteiten in het kader van de Dublinprocedure, omdat hij in Nederland aangifte van mensenhandel wil doen. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft echter aangegeven dat de overdracht zal plaatsvinden voordat verzoeker deze aangifte kan doen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel erop mag vertrouwen dat Duitsland zijn internationale verplichtingen nakomt en verzoeker alsnog de mogelijkheid zal bieden om aangifte te doen. Verzoekers belangen zijn daarmee ook in Duitsland gewaarborgd.
Verder is vastgesteld dat de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling is genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is, en dat het bezwaar tegen dit besluit niet-ontvankelijk is verklaard. De voorzieningenrechter vindt dat het belang van een correcte uitvoering van de Dublinverordening, waaronder tijdige overdracht, zwaarder weegt dan het belang van verzoeker om in Nederland aangifte te doen.
De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en ziet geen reden voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en staat de overdracht aan Duitsland toe.