ECLI:NL:RBDHA:2019:7748

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2019
Publicatiedatum
26 juli 2019
Zaaknummer
NL18.25042
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1F VluchtelingenverdragArt. 66a, zevende lid, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag en oplegging inreisverbod wegens betrokkenheid bij ernstige misdrijven

Eiser, een Nigeriaanse nationaliteit dragende man, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde dat hij vanwege zijn betrokkenheid bij het gewelddadige genootschap Black Axe en de daaruit voortvloeiende dreiging voor zijn leven bescherming zocht. Verweerder wees de aanvraag af op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, omdat eiser betrokken zou zijn bij ernstige niet-politieke misdrijven zoals moord en marteling.

Eiser voerde in beroep aan dat hij zijn asielrelaas had verzonnen om een oplossing te zoeken voor zijn illegale verblijf en ontkende elke betrokkenheid bij misdrijven. Hij stelde dat verweerder onzorgvuldig had gehandeld door niet nader onderzoek te verrichten na zijn zienswijze en dat het opleggen van het inreisverbod disproportioneel was.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht van de verklaringen van eiser is uitgegaan en dat de geloofwaardigheid van het gewijzigde relaas ernstig werd ondermijnd door het late tijdstip van de wijziging. De verklaring van de moeder van eiser werd niet als objectief bewijs geaccepteerd. Het beroep werd ongegrond verklaard en het inreisverbod van tien jaar gehandhaafd.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het opleggen van een tienjarig inreisverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.25042

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juni 2019 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).

ProcesverloopBij besluit van 11 december 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als kennelijk ongegrond afgewezen en hem een inreisverbod opgelegd van tien jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.25043, plaatsgevonden op 9 april 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Ringelée. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Aan zijn asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij problemen heeft ondervonden in Nigeria. Eiser heeft verklaard dat hij op jonge leeftijd getuige was van de moord op zijn vader en dat dit traumatisch voor hem is geweest. Toen hij ouder werd, is hij onder invloed geraakt van drugs en alcohol en kreeg hij verkeerde vrienden. Via een vriend is eiser in contact gekomen met het gewelddadige genootschap Black Axe. Hij opereerde als ‘[functie]’ van Black Axe en was betrokken bij martelingen, moorden en berovingen. Eiser heeft verklaard veel mensen te hebben vermoord. Eiser stelt uit Nigeria te zijn vertrokken nadat hij is opgepakt en gevangen genomen omdat zij de zoon van de koning van zijn dorp hadden vermoord. Eiser verklaart dat hij een dag voordat hij terechtgesteld zou worden, ontsnapt en gevlucht is. Eiser vreest bij terugkeer naar Nigeria voor zijn leven, omdat veel mensen weten wat hij heeft gedaan. Na zijn vlucht uit Nigeria heeft eiser lange tijd in Spanje verbleven, alvorens hij naar Nederland is gereisd.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 1F, aanhef en onder b, van het Vluchtelingenverdrag (Vv). Verweerder stelt dat eiser in verband moet worden gebracht met gewapende roofovervallen, foltering/marteling en moord en dat hiermee sprake is van absolute niet-politieke misdrijven. Eiser wordt ten aanzien van deze misdrijven zowel knowing participation als personal participation tegengeworpen. Voorts heeft verweerder gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade omdat zijn gestelde arrestatie en ontsnapping aan de Vigilante niet geloofwaardig is geacht. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond en tegen hem een inreisverbod voor de duur van 10 jaar uitgevaardigd.
3. Eiser heeft in beroep aangevoerd – samengevat weergegeven – dat hij het aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegde asielrelaas volledig heeft verzonnen en dat zijn verklaringen op onwaarheden berusten. Hij heeft dat reeds in de zienswijze naar voren gebracht. Eiser stelt dat hij een oplossing wilde zoeken voor zijn jarenlange illegale verblijf in Nederland. Eiser vreesde niet voor een asielvergunning in aanmerking te komen en heeft daarom bewust een ernstig verhaal verzonnen. Eiser stelt dat de waarheid is dat hij nooit problemen heeft ondervonden in Nigeria. Ter onderbouwing van die stelling wijst hij op een eerder ingediende reguliere vergunningsaanvraag, waarin hij al heeft verklaard voor een beter leven naar Nederland te zijn gekomen. Eiser ontkent elke betrokkenheid bij de misdrijven die hem worden tegengeworpen en heeft een gerechtelijke verklaring van zijn moeder uit Nigeria overgelegd waaruit dat blijkt. Volgens eiser heeft hij bij het doen van zijn asielrelaas een ‘valse bekentenis’ afgelegd en was verweerder gehouden hem, na de door hem ingebrachte zienswijze, nader te horen en nader onderzoek te doen naar zijn eerder afgelegde verklaringen. Derhalve is sprake van onzorgvuldig onderzoek en een onvoldoende draagkrachtige motivering van het besluit, aldus eiser. Ter zitting heeft eiser nog betoogd dat, nu niet alle elementen van het asielrelaas door verweerder worden geloofd, moet worden uitgegaan van de integrale ongeloofwaardigheid van het asielrelaas. Tot slot betoogt eiser dat handhaving van het zware inreisverbod in zijn geval disproportioneel is omdat er geen sprake is van criminele antecedenten.
4.1
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte van de verklaringen van eiser over zijn deelname aan het Black Axe genootschap is uitgegaan. Zo is eiser tijdens het nader gehoor gewezen op het belang van het vertellen van de waarheid en dat hij geen gegevens moet achterhouden. Niet is gebleken van enige reden waarom eiser dit niet zou hebben begrepen. Voorts heeft eiser pas na het door verweerder uitgebrachte voornemen tot afwijzing van zijn asielaanvraag gesteld dat zijn asielrelaas niet op de waarheid berust. Eiser heeft bij de correcties en aanvullingen bij het nader gehoor niets verklaard over leugens in zijn asielrelaas en heeft juist expliciet bevestigd dat de verslagen van de gehoren correct zijn. Ook nadat verweerder bij brief van 13 augustus 2018 aan eiser heeft medegedeeld dat een 1F-onderzoek zou worden gestart, heeft eiser niet gesteld dat zijn relaas op onwaarheden zou berusten. Verweerder heeft niet ten onrechte gesteld dat dit ernstig afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het volledig gewijzigde relaas van eiser bij de zienswijze. De afgelegde verklaringen van eiser zijn voorts door verweerder niet ten onrechte consistent, uitgebreid en gedetailleerd bevonden en zijn verklaringen zijn bovendien in overeenstemming met wat uit algemene bronnen naar voren komt over het Black Axe genootschap.
4.2
Voor de stelling van eiser dat uit had moeten worden gegaan van de integrale ongeloofwaardigheid van het asielrelaas omdat verweerder niet alle elementen geloofwaardig acht, bestaat geen grond. Evenmin wordt het betoog van eiser dat verweerder naar aanleiding van de zienswijze nader onderzoek had moeten verrichten gevolgd, nu verweerder zich voldoende voorgelicht heeft mogen achten. Dat eiser later heeft verklaard zijn asielrelaas te hebben verzonnen, geen problemen in Nigeria te hebben ondervonden en enkel voor een beter leven naar Nederland te zijn gekomen, maakt dit niet anders. Ten aanzien van de door eiser overgelegde verklaring van zijn moeder, heeft verweerder terecht gesteld dat die niet tot een ander standpunt leidt. Zo is deze verklaring niet afkomstig uit objectieve bron en bevat die bovendien opmerkingen over geruchten die de ronde zouden doen over de betrokkenheid van eiser bij de dood van bepaalde mensen, hetgeen doet vermoeden dat eiser wel degelijk de waarheid heeft gesproken tijdens zijn gehoren.
5. Vanwege de toepasselijkheid van artikel 1F Vv heeft verweerder met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) eiser terecht een inreisverbod opgelegd voor de duur van 10 jaar. Eiser heeft geen individuele omstandigheden naar voren gebracht die verweerder aanleiding hadden moeten gegeven om van het inreisverbod af te zien dan wel de duur daarvan te verkorten.
6. De aanvraag is niet ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, voorzitter, en mr. J.L.E. Bakels, en mr. M.J.L. van der Waals, leden, in aanwezigheid van mr. D.D. Tempelman, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op 18 juni 2019.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.