ECLI:NL:RBDHA:2019:7766
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas
Eiser, een Libanese staatsburger, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van een vermeende onterechte veroordeling tot gevangenisstraf wegens spionage voor Israël en mishandeling tijdens detentie. Verweerder wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas, onder meer vanwege tegenstrijdige verklaringen over de aard en duur van de detentie en de identiteit van eiser.
Tijdens de zitting werd eiser in de gelegenheid gesteld aanvullende bewijsstukken te overleggen, waaronder een gewaarmerkt duplicaat van het vonnis en verklaringen van het International Committee of the Red Cross. Desondanks achtte de rechtbank de verklaringen van eiser onvoldoende consistent en aannemelijk, mede gelet op wisselende verklaringen en het ontbreken van een geloofwaardige onderbouwing van de omstandigheden.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht het asielrelaas ongeloofwaardig heeft geacht en dat eiser niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardigheid van het asielrelaas.